Vaarbewijs.nu
 
Toplicht Vaaropleidingen    Vaarbewijs 1, Vaarbewijs 2, Vaarbewijs A en Marifonie
 
Home
Nieuws
Vaarbewijs 1
Vaarbewijs A
Vaarbewijs 2
Marifonie
Dagcursus
Cursusrooster
AANMELDEN CURSUS
Tarieven
Mail/ bel ons
Examen
Privé-lessen
Cursusmateriaal
Vragen ????
Publicaties
Links
Voorwaarden
Lokaties
Boetes
Tips & Trucs
Oefen Vaarbewijs 1
Oefen Vaarbewijs A
Oefen Marifonie
Reacties
Proefexamen VB1
Proefexamen VBA
 
Oefen Vaarbewijs I
Onderstaande vragen worden regelmatig bij Vaarbewijs 1 examens gesteld. Het beantwoorden van de vragen is een extra examentraining. De ALLERNIEUWSTE VRAGEN worden steeds aangevuld. Deze vindt u nog niet in de boeken of oefen cd`s. Voor de ANTWOORDEN: zie de tabel onder de laatste vraag.

ALLERNIEUWSTE EXAMENVRAGEN
U wilt uw schip afmeren langszij een ander schip mag dat?
Antw.: ja, tenzij dat uitdrukkelijk verboden is.

U wilt in een smal vaarwater keren. Dat kan niet in één keer.
Uw schip heeft een rechtse schroef. Over welke boeg kunt u de
manoeuvre het beste beginnen?
a. Over stuurboord
b. Het maakt geen verschil
c. Over bakboord
Antw. a

Mag je je in een bootje  zonder motor of iets anders stroomafwaarts laten drijven als je geen gevaar voor het overige scheepvaartverkeer bent?
Antw.: Niet in één van de Bijlage 15 wateren.

Een motorboot met buitenboordmotor is voorzien van een stuurwiel. Wat gebeurt er met de achterkant van de boot nadat je het stuurwiel naar stuurboord hebt gedraaid en dan de motor in de achteruit zet?
a.    naar bakboord gaan
b.    naar stuurboord gaan
c.    recht achteruit gaan
d.    recht vooruit gaan
Antw. b

Je hebt een motorboot met buitenboordmotor die is voorzien van een stuurwiel. Wat gebeurt er met de achterkant van de boot nadat je het stuurwiel naar bakboord hebt gedraaid en dan de motor in de achteruit zet?
a.    naar bakboord gaan
b.    naar stuurboord gaan
c.    recht achteruit gaan
d.    recht vooruit gaan
Antw. a

Een motorboot met buitenboordmotor is voorzien van een stuurwiel. Wat gebeurt er met de achterkant van de boot nadat je het stuurwiel naar bakboord hebt gedraaid en dan de motor in de voorruit zet?
a.    naar bakboord gaan
b.    naar stuurboord gaan
c.    recht achteruit gaan
d.    recht vooruit gaan
Antw. b

Je hebt een motorboot met buitenboordmotor die is voorzien van een stuurwiel. Wat gebeurt er met de achterkant van de boot nadat je het stuurwiel naar stuurboord hebt gedraaid en dan de motor in de vooruit zet?
a.    recht vooruit gaan
b.    naar bakboord gaan
c.    naar stuurboord gaan
d.    recht achteruit gaan
Antw. b

Een motorboot met buitenboordmotor is voorzien van een stuurwiel. Wat gebeurt er met de voorkant van de boot nadat je het stuurwiel naar bakboord hebt gedraaid en dan de motor in de voorruit zet?
a.    naar bakboord gaan
b.    naar stuurboord gaan
c.    recht achteruit gaan
d.    recht vooruit gaan
Antw. a

Je hebt een motorboot met buitenboordmotor die is voorzien van een stuurwiel. Wat gebeurt er met de voorkant van de boot nadat je het stuurwiel naar stuurboord hebt gedraaid en dan de motor in de vooruit zet?
a.    recht vooruit gaan
b.    naar bakboord gaan
c.    naar stuurboord gaan
d.    recht achteruit gaan
Antw. c

EXAMENVRAGEN

1.  De minimumleeftijd waarop een klein vaarbewijs mag worden afgegeven is:
a)     18 jaar
b)     21 jaar
c)     16 jaar
antw. a

2. Het Binnenvaart Politie Reglement (BPR) is ondermeer van kracht op:
a)     Noord
b)    Westerschelde
c)    Waal       
antw.a

3. Varen volgens `Goed Zeemanschap` betekent o.a.:
a) dat soms moet worden afgeweken van de regels in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart.
b) dat mag worden afgeweken van de regels in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart.
c) dat niet mag worden afgeweken van de regels in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart.
antw. a

4. Een klein schip ligt ten anker in of nabij het vaarwater. Dit moet op een geschikte van alle zijden goed zichtbare plaats voeren een zwarte:
a) ruit
b) bol
c) kegel
antw. b

5. U hoort het geluidssein één lange stoot. Dit betekent?
a) blijf weg
b) attentie
c) ik ga stuurboord uit
antw. b

6. Welke schepen moet volgens het BPR zijn uitgerust met een marifoon?
a) alle grote schepen, alsmede kleine schepen met een goedgekeurde radarinstallatie.
b) alle schepen varende op de in het BPR bijlage 9 genoemde vaarwaters.
c) alle varende grote motorschepen met een goedgekeurde radarinstallatie.
antw. a

7. Het is niet toegestaan met een snelle motorboot aan het scheepvaartverkeer deel te nemen indien:
a) de zittende bestuurder geen reddingsvest draagt.
b) deze niet is voorzien van een registratieteken.
c) de bestuurder 65 jaar of ouder is.
antw. b

8. Op het Kanaal van Gent naar Terneuzen mag:
a) niet worden gezeild tijdens slecht zicht.
b) niet worden gezeild indien het moet laveren (opkruisen)
c) niet worden gezeild
antw. c

9. Het vloeistofniveau van een niet onderhoudsvrije accu moet op peil worden gehouden door het zonodig bijvullen met:
a) accuzuur
b) gekookt water
c) gedestilleerd water
antw. c

10. Bij een vetgesmeerde schroefas laat het binnengland teveel water door. Welke maatregelen moet u nemen?
a) extra vet spuiten in de schroefaskoker.
b) de drukbus aan het buitengland aandraaien.
c) de pakkingdrukker van het binnengland vaster zetten
antw. c

11. Welke klasse branden kunnen met een moderne schuimblusser geblust worden?
a) voornamelijk B en C branden
b) voornamelijk A en B branden
c) voornamelijk C en D branden
antw. b

12. Thermische beveiliging op gasapparatuur is aan boord van jachten aan te bevelen. Dit opdat:
a) de aanwezigheid van gas betrouwbaar vastgesteld kan worden.
b) bij oververhitting de vlam dooft.
c) bij uitwaaien van de vlam de gastoevoer wordt afgesloten.
antw. c

13. Het minimale aantal reddingsvesten aan boord van een zeiljacht is bij voorkeur één:
a) voor iedere opvarende
b) voor iedere opvarende die aan dek moet werken
c) voor degene die het schip bestuurt
antw. a

14. Een Isofase-licht (Iso) is een licht:
a) waarvan het schijnsel even lang is als de verduistering.
b) waarvan de verduistering langer is dan het schijnsel
c) waarvan het schijnsel langer is dan de verduistering
antw. a

15. U vaart met een staande mast, hoogte boven water 8 meter, in het Maas-Waalkanaal. Bij het kanaal staat vermeld: KP = Stuwpeil Maas (SP). Het stuwpeil op de maas is SP = NAP+76.
De brug na de sluis is volgens de kaart H = 85 + KP. (hoogten vermeld in dm).
Hoeveel decimeter heeft u bij passage van de brug over of komt u te kort:
a) 4 decimeter te kort
b) 9 decimeter over
c) 5 decimeter over
antw. c

16. De wind verandert van richting van ZO, via Z naar NW.
Dit wordt genoemd:
a) toenemende wind
b) ruimende wind
c) krimpende wind
antw. b

17. Lucht stroomt van gebieden met hogere druk naar gebieden met lagere druk.
Deze krijgt daarbij op het noordelijk halfrond:
a) een afwijking naar rechts
b) geen afwijking
c) een afwijking naar links
antw. a

18. Uw schip is voorzien van een rechtse schroef. U wilt keren in smal vaarwater, waar het niet mogelijk is om in één keer rond te draaien.
Bij het inzetten van de manoeuvre kunt u zich het beste bevinden:
a) aan stuurboordzijde van het vaarwater.
b) aan bakboordzijde van het vaarwater.
c) in het midden van het vaarwater.
antw. b

19. Uw schip heeft een linkse schroef. Er staat geen wind en/of stroom. Met welke kant van uw schip komt u bij voorkeur aan bij de kade?
a) geen voorkeur
b) bakboord zijde
c) stuurboord zijde
antw. c

20. Alle manoeuvres op stomend water die te maken hebben met aankomen, afvaren en ankeren worden het beste:
a) uitgevoerd als de manoeuvres op stilstaand water
b) met de kop in de stroomrichting uitgevoerd (voorstrooms).
c) met de kop tegen de stroom in uitgevoerd (tegenstrooms).
antw. c

21. U moet afmeren aan lagerwal met de wind iets schuin van achter inkomend. U manoeuvreert uw schip zodanig, dat het evenwijdig aan de kade komt te liggen om zodoende het schip naar de kade te laten verlijeren. Er is geen stroom.
De beste volgorde van vastmaken van de trossen en springen is:
a) achterspring, dan voorspring achtertros en voortros
b) achtertros, dan voorspring, achterspring en voortros
c) achterspring, dan voorspring, achtertros en voorspring
antw. b

22. Een motorschip dat gesleept wordt, luistert slecht naar het roer omdat de vrijwel geen druk op het roer wordt uitgeoefend.
Bij rustig weer is het slepen aan te bevelen met:
a) één lange sleeptros
b) één zeer korte sleeptros
c) twee niet te lange, gekruiste trossen
antw. c

23. Stroomopwaarts varend in het Signi-betonningssysteem nadert u een ton die er als volgt uitziet: bolvormig, rood boven groen met een rode cilinder als topteken.
Om het nevenvaarwater te volgen houdt u deze ton aan:
a)  bakboord
b) stuurboord
c) naar keuze bakboord of stuurboord
antw. b

24. De wind is zuidoost.
De wind waait dan:
a) van het zuiden naar het oosten
b) van het zuidoosten naar het noordwesten
c) van het noordwesten naar het zuidoosten
antw. b

25. Vooruit vaart lopend bij roer aan bakboord, zullen de krachten die op het roerblad werken het voorschip naar:
a) bakboord drukken
b) stuurboord drukken
c) stuurboord of bakboord drukken, afhankelijk van de draairichting van de schroef
antw. a

26. Bij een brug of een aan beide zijden openstaande sluis waar geen stroom loopt en waar twee groene lichten boven elkaar worden getoond moeten:
a) alle andere kleine schepen de weg vrijlaten voor kleine zeilschepen die het bezeild hebben.
b) een klein motorschip de weg vrijlaten voor een klein zeilschip dat het niet bezeild heeft.
c) een klein zeilschip, dat het bezeild heeft, de weg vrijlaten voor een klein motorschip.
antw. a

27. Op het water ziet u een boei met de kleuren boven en onder geel met in het midden een brede zwarte band. Deze boei markeert een wrak. Het wrak ligt:
a) ten oosten van de boei
b) ten zuiden van de boei
c) ten westen van de boei
antw. a

 
Vaarbewijs in 1 week
Privéles: snel en effectief! Bel voor afspraak.

Een cursist over haar cursus ...
Mevr. Leijen: de examentraining en de handige studiewijzer hebben mij enorm geholpen.

Avondcursussen Vaarbewijs 1 en 2
Alkmaar en Haarlem

Andere Toplicht sites
Bezoek ook eens onze andere website.

>> Computercursussen