Vaarbewijs.nu
 
Toplicht Vaaropleidingen    Vaarbewijs 1, Vaarbewijs 2, Vaarbewijs A en Marifonie
 
Home
Nieuws
Vaarbewijs 1
Vaarbewijs A
Vaarbewijs 2
Marifonie
Dagcursus
Cursusrooster
AANMELDEN CURSUS
Tarieven
Mail/ bel ons
Examen
Privé-lessen
Cursusmateriaal
Vragen ????
Publicaties
Links
Voorwaarden
Lokaties
Boetes
Tips & Trucs
Oefen Vaarbewijs 1
Oefen Vaarbewijs A
Oefen Marifonie
Reacties
Proefexamen VB1
Proefexamen VBA
 
proefexamen VB1

Examen Vaarbewijs 1

De puntentelling staat apart tussen haakjes achter de vraag vermeld.
Het examen bestaat uit 30 meerkeuzevragen.
Het maximale aantal te behalen punten is 60.
Het minimale aantal punten om te slagen is 42 punten.
Het examen duurt 1 uur.

A. WETTELIJKE BEPALINGEN VOOR ZOVER DEZE VAN BELANG ZIJN VOOR
DE VEILIGHEID VAN DE VAART OP RIVIEREN, KANALEN EN MEREN
BINNENSCHEPENWET/WETBOEK VAN KOOPHANDEL

1. Wetboek van Koophandel (WvK) Artikel 785            (2)
Als een schip in nood verkeert, moet een in de nabijheid varende schipper:
a alleen hulp verlenen als hij daarom door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd
b alleen hulp verlenen als daardoor zijn eigen schip en/of opvarenden niet in ernstig gevaar
komen
c te allen tijde hulp verlenen

BINNENVAART POLITIE REGLEMENT (BPR)

2. Het BPR is niet van kracht op:                                     (1)
a het IJsselmeer
b de Boven-en Neder Rijn
c de Gelderse IJssel

3. BPR artikel 1.01                                                         (2)
Een lange stoot is een geluidssignaal dat ongeveer duurt:
a vier seconden
b zes seconden
c twee seconden

4. BPR Hoofdstuk 3                                                     (2)
Je ziet een schip dat een zwarte bol, een zwarte ruit en weer een zwarte bol
loodrecht onder elkaar voert. Dit is een:
a beperkt manoeuvreerbaar schip
b onmanoeuvreerbaar schip
c vissersschip

5. BPR Hoofdstuk 3               (2) Image                              
Je ziet de afgebeelde lichten. Drie witte lichten in de
vorm van een gelijkzijdige driehoek. Links een groen licht en rechts een rood licht. Dit is een:
a duwstel, 2 bakken breed (vooraanzicht)
b gekoppeld samenstel (achteraanzicht)
c duwstel, 1 bak breed (vooraanzicht)

6. BPR Artikel 6.04 A                                                (3)
Als een groot schip, dat vaart op een vaarwater in het BPR-gebied (niet zijnde
de Gelderse IJssel of de Maas) zich naar een ligplaats aan de bakboordzijde van het
vaarwater wil begeven en de tegemoetkomende vaart aan stuurboord wil laten
passeren, dan:
a mag het aan de stuurboordzijde van het schip een lichtblauw bord met witte rand en een
rondom schijnend wit flikkerlicht tonen
b is het verplicht daarvoor een bijzonder sein te geven
c moeten twee korte stoten worden gegeven en tegelijkertijd aan stuurboord een lichtblauw
bord met witte rand en een rondom schijnend wit flikkerlicht worden getoond

7. BPR Artikel 6.04        (2)Image           
Twee kleine zeilschepen sturen recht tegen elkaar in.
Er bestaat gevaar voor aanvaring.
Hoe moet de geschetste situatie worden opgelost?
a beide schepen wijken naar stuurboord
b schip X verleent voorrang aan schip Y
c schip Y verleent voorrang aan schip X

8. BPR Artikel 6.17                       (3)Image 
Twee kleine zeilschepen bevinden zich in de hiernaast getekende
situatie. Er bestaat gevaar voor aanvaring.
Wie moet voorrang verlenen?
a schip X omdat het over stuurboord ligt
b schip Y omdat schip X stuurboordwal houdt
c schip Y omdat het loefwaartse schip voorrang verleent aan het
lijwaartse schip

9. BPR Artikel 6.16                      (2) Image
Groot motorschip X vaart op het hoofdvaarwater; klein motorschip Y komt uit het
nevenvaarwater en wil het hoofdvaarwater opvaren.
Dan geldt de volgende regel:
a Y moet voorrang verlenen aan X omdat het een klein motorschip is dat
uit een nevenvaarwater komt
b Y mag medewerking verlangen van X bij het opvaren van het
hoofdvaarwater
c X moet voorrang verlenen aan Y omdat Y van stuurboord nadert

10. BPR Artikel 4.02 (bijlage 6)           (2)
Wat betekent het geluidssein bestaande uit drie korte stoten?
a ik sla achteruit
b verzoek om bediening van brug of sluis
c ik kan niet manoeuvreren

11. BPR Artikel 4.05 / 4.06                      (2)
Welke schepen moeten volgens het BPR zijn uitgerust met een marifoon?
Dit zijn:
a alle varende grote schepen met een goedgekeurde radarinstallatie
b alle schepen varende op de in BPR bijlage 9 genoemde vaarwaters
c alle grote schepen, alsmede kleine schepen met een goedgekeurde radarinstallatie

12. BPR Artikel 8.04                              (2)
Dit artikel stelt wie mede zorg draagt voor de naleving van de
inrichtingsvoorschriften
als gesteld in artikel 8.01 t/m 8.03 van een snelle motorboot.
In het kader van het BPR is dit:
a de bestuurder (niet eigenaar) die met de snelle motorboot vaart
b de leverancier
c de eigenaar op wiens naam het registratiebewijs staat

HET RIJNVAARTPOLITIEREGLEMENT (RPR)
13. Mag men in het Nederlandse RPR– gebied met een snelle motorboot
sneller varen dan 20 km per uur?                 (2)                         
a neen, alleen toegestaan op de afgedamde zijarmen
b ja
c neen, tenzij een gedeelte van de vaarweg is aangewezen in de Regeling snelle motorboten
Rijkswateren

HET SCHEEPVAARTREGLEMENT VOOR HET KANAAL VAN GENT NAAR
TERNEUZEN (SRKGT)
14. SRKGT Artikel 18                (1)
Anders dan bij oplopen moet een schip dat varende is uitwijken voor:
a onmanoeuvreerbare schepen, bovenmaatse zeeschepen en beperkt manoeuvreerbare
schepen
b onmanoeuvreerbare schepen, bovenmaatse zeeschepen, “grote” zeilschepen en beperkt
manoeuvreerbare schepen
c onmanoeuvreerbare schepen, “grote” zeilschepen en beperkt manoeuvreerbare schepen

B. DE BEHANDELING VAN DE VOORTSTUWINGSWERKTUIGEN EN DE
VEILIGHEIDSMAATREGELEN
15. Het peil van de vloeistof in de accu moet tenminste:            (1)
a 2 cm boven de platen liggen
b 3 cm boven de platen liggen
c 1 cm boven de platen liggen

16. Een keerkoppeling dient om:                      (1)
a een trillingsvrije verbinding te maken tussen schroefas en motor
b een waterdichte doorvoer voor de schroefas te maken
c de draairichting van de schroef te kunnen veranderen

17. B-branden zijn:                (2)
a metaalbranden
b gasbranden
c vloeistofbranden

18. Een vaartuig is uitgerust met een ingebouwde benzinemotor.              (2)
Voor men de motor start moeten met het oog op de veiligheid enige
handelingen worden verricht. De belangrijkste is/zijn:
a benzinetank ontluchten en condenswater aftappen
b smeeroliepeil en waterpeil controleren
c motorruimte ventileren

19. Het is aan te bevelen een reddingboei overdag te voorzien van een joon.  (2)
Deze dient om:
a het verlijeren van de boei tegen te gaan
b de ligging van de boei beter zichtbaar te maken
c het drijfvermogen van de boei te vergroten

C. DE WATERWEGEN, DE OMSTANDIGHEDEN VAN HET VAARWATER EN
ELEMENTAIRE METEOROLGIE
20. Je vaart op één van de bovenrivieren stroomopwaarts.        (3)
Recht vooruit zie je een rode stompe ton.
Om in de vaargeul te blijven moet je:
a de ton aan stuurboord houden
b de ton aan bakboord houden
c de ton kan aan beide zijde gepasseerd worden

21. Je loopt ’s nachts een haven aan. Terwijl je naar binnen vaart,             (2)
zie je aan je stuurboordzijde de volgende havenverlichting:
a rood vast licht of rood flikkerlicht
b groen vast licht of groen flikkerlicht
c wit vast licht of wit flikkerlicht

22. Je komt een blauw bord met een witte pijl tegen.               (3) Image
Dit betekent:
a aanbeveling om te varen in de richting van de pijl
b verplichting om te varen in de richting van de pijl
c.verboden om te varen in de richting van de pijl


23. In waterkaart staat bij een kanaal D 12. Ook lees je uit de kaart dat de   (2)
diepten gegeven zijn ten opzichte van kanaalpeil KP = NAP + 2 dm.
In het kanaal is een peilschaal aangebracht waarop je afleest dat de
waterstand gelijk is aan NAP. Diepgang van het schip is 70 cm.
Bij doorvaart blijft onder de kiel nog over:
a 30 cm
b 50 cm
c 20 cm

24. Je meet volgens de schaal van Beaufort een windkracht 5.        (2)
Dit is een:
a krachtige wind
b vrij krachtige wind
c storm

25. Lucht stroomt van gebieden met hoge druk naar gebieden met lage druk.  (2)
Deze krijgt daarbij op het noordelijk halfrond:
a geen afwijking
b een afwijking naar links
c een afwijking naar rechts

D. HET VAREN EN MOEUVREREN EN DE ONDER BIJZONDERE
OMSTANDIGHEDEN TE NEMEN MAATREGELEN
26. Je schip heeft een linkse schroef. Er staat geen wind en/of stroom.        (2)
Met welke kant van je schip kom je bij voorkeur bij de kade aan?
a stuurboordzijde
b geen voorkeur
c bakboordzijde

27. Je schip is voorzien van een rechtse schroef.           (2)
Je wilt keren in een smal vaarwater waar het niet mogelijk is om in één keer
rond te draaien. Bij het inzetten van de keermanoeuvre kun je je het best bevinden:
a aan stuurboordzijde van het vaarwater
b in het midden van het vaarwater
c aan bakboordzijde van het vaarwater

28. Je wilt met een klein motorschip aankomen aan hogerwal.        (2)
Je maakt hierbij in eerste instantie gebruik van één tros.
Deze kun je het beste gebruiken als:
a achtertros
b voorspring
c voortros

29. Het motorschip ligt afgemeerd. Je gaat ontmeren en afvaren.      (2)
De wind komt van voren in. Wat is de beste afvaart manoeuvre:
a je houdt de achtertros als laatste vast. Deze tot spring varen, het voorschip vrij
manoeuvreren van de wal en afvaren
b je houdt de voorspring als laatste vast. Vooruit slaan, het achterschip wegdraaien van de
wal met roer aan boord naar de walzijde en achteruitvaren
c je houdt de achterspring als laatste vast. De kop van het schip wordt vrij gemanoeuvreerd
van de wal d.m.v. achteruitslaan, daarna afvaren

30. Wat is de beste manoeuvre voor een motorjacht om een drenkeling op te
pikken, bijzondere omstandigheden en toestanden buiten beschouwing gelaten? (2)
Je dient:
a zo snel mogelijk de drenkeling dwars bovenwinds te naderen, schip naast hem/haar
stilleggen, schroef stoppen, zonodig de motor afzetten en drenkeling aan boord nemen
b zo snel mogelijk recht tegen de wind in naast de drenkeling het schip stoppen en de
drenkeling oppikken
c zo snel mogelijk achteruit terugvaren naar de drenkeling, aan de benedenwindse kan gaan
liggen en hem/haar oppikken

ANTWOORDEN EXAMENEN VB I EXAMEN

1 B     11 C     21 B
2 B     12 C     22 A
3 A     13 C     23 A
4 A     14 A     24 B
5 C     15 C     25 C
6 A     16 C     26 A
7 B     17 C     27 C
8 B     18 C     28 B
9 A     19 B     29 C
10 A   20 B     30 A

 
Vaarbewijs in 1 week
Privéles: snel en effectief! Bel voor afspraak.

Een cursist over haar cursus ...
Mevr. Leijen: de examentraining en de handige studiewijzer hebben mij enorm geholpen.

Avondcursussen Vaarbewijs 1 en 2
Alkmaar en Haarlem

Andere Toplicht sites
Bezoek ook eens onze andere website.

>> Computercursussen