|
|
|
Examen Vaarbewijs AanvullendDe puntentelling staat apart tussen haakjes achter de vraag vermeld. Het examen bestaat uit 25 (overwegend) meerkeuzevragen. Het maximale aantal te behalen punten is 50. Het minimale aantal punten om te slagen is 35. U krijgt voor het examen 90 min.
E. DE WETTELIJKE BEPALINGEN ZOVER VAN BELANG VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VAART OP DE WESTERSCHELDE. DE EEMS EN DOLLARD BEPALINGEN TER VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE (BVA)
1. Voorschrift 1 BVA (1) De BVA zijn onder andere van toepassing op: a Oosterschelde b Eemsmonding c Waddenzee
2. Voorschrift 9/13 BVA (2) Ook in nauw vaarwater blijft een oplopend schip bij gevaar voor aanvaring uitwijkplichtig. Deze bewering is: a juist b niet juist, indien het oplopende schip door zijn diepgang beperkt is in zijn manoeuvreerbaarheid c niet juist, indien het opgelopen schip een werktuiglijk voortbewogen schip korter dan 20 meter is
3. Voorschrift 28 BVA (2) Een schip dat door zijn diepgang beperkt manoeuvreerbaar is mag, behalve de lichten die zijn voorgeschreven voor een werktuiglijk voortbewogen schip tevens voeren: a drie rode, rondom zichtbare lichten, loodrecht boven elkaar b een rood licht, een wit licht en een rood licht, rondom zichtbaar en loodrecht boven elkaar c een groen licht, een wit licht en een groen licht, rondom zichtbaar en loodrecht boven elkaar
HET SCHEEPVAARTREGLEMENT WESTERSCHELDE (SRW) (1) 4. Artikel 2 SRW In het SRW: a zijn kleine schepen alle schepen met een lengte van minder dan 20 meter, uitgezonderd een sleepboot, duwboot of vissersschip b wordt alleen onderscheid gemaakt tussen grote en kleine zeilschepen c wordt geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleine schepen 5. Artikel 18 SRW (2) Dit artikel behandelt de uitwijkregels tussen de diverse categorieën schepen onderling, onder andere tussen werktuiglijk voortbewogen schepen en zeilschepen. Volgens dit artikel: a wijkt een zeilschip voor een werktuiglijk voortbewogen schip b wijkt een werktuiglijk voortbewogen schip voor een zeilschip als het dit zeilschip over stuurboord peilt c wijkt een werktuiglijk voortbewogen schip voor een zeilschip
6. Artikel 17 SRW (2) Wanneer één van beide schepen verplicht is uit te wijken, moet het andere schip: a naar keuze zijn koers of vaart behouden b zijn koers én vaart behouden c zijn koers behouden HET SCHEEPVAARTREGLEMENT EEMSMONDING (SRE) 7. Artikel 22 SRE (1) Aan waterskiën en plankzeilen zijn in het SRE-gebied de nodige restricties opgelegd. Welke van de onderstaande beweringen is juist: a waterskiën en plankzeilen zijn buiten het vaarwater overal toegestaan b waterskiën en plankzeilen zijn in het vaarwater verboden uitgezonderd op die gedeelten van het vaarwater die voor dit doel door de beheerder zijn aangewezen c waterskiën en plankzeilen zijn in het vaarwater verboden F. NAVIGATIE 8. Waardoor kenmerkt zich het gebied achter het koufront van een depressie? (2) a door warme lucht, veel bewolking, langdurige regen en Z tot ZW wind b door slecht zicht, stratusbewolking, motregen en Z tot ZW wind c door heldere lucht, losse stapelwolken, kortstondige buien en W tot NW wind 9. Een frontvlak is de overgangszone tussen: (2) a twee luchtsoorten b een hoge druk en een lage druk gebied c twee opeenvolgende depressies
10. In de 1800 serie -officiële zeekaart voor kust-en binnenwateren -komt (1) het volgende teken voor. Dit betekent een: a wrak, dat alleen met de mast(en) boven water steekt b wrak, (gedeeltelijk) zichtbaar bij kaartpeil c wrak, dat onder alle omstandigheden boven water uitsteekt
11. De 1800 serie -officiële zeekaart voor kust-en binnenwateren -zijn zogeheten (1) Mercatorprojecties. Een kaart is een Mercatorprojectie als: a de afgepaste lengte van één zeemijl gemeten langs de verticale rand verdeling op iedere breedte gelijk is b hoeken in de kaart even groot zijn als de overeenkomstige hoeken in werkelijkheid en een koerslijn in de kaart een rechte lijn is c hoeken in de kaart niet altijd even groot zijn, als de overeenkomstige hoeken in werkelijkheid
12. Op de 1800 serie -officiële zeekaart voor kust-en binnenwateren -komt (1) een herkenbare kerk als een tekening voor.
 Welk punt hiervan is de juiste positie van dit peilpunt? a de kleine cirkel in de voet van de toren b aan de onderzijde in het midden van het schip van de kerk c de top van de torenspits
13. Varende op de Waddenzee ziet u een boei met het volgende topteken.(2)
 Veilig vaarwater bevindt zich: a ten westen van de boei b ten zuiden van de boei c ten oosten van de boei
14. In het maritiem Betonningsstelsel systeem A kan men als "verkenningston" voor het aanlopen van een betond vaarwater de volgende ton gebruiken: (2) a bolton, rood-wit verticaal gestreept met een rood bolvormig topteken b bolton, rood-zwart horizontaal gestreept met een zwart bolvormig topteken c bolton, groen-wit verticaal gestreept zonder topteken 15. In Nederland, op plaatsen met een dagelijkse getij werking; (2) ligt het reductievlak (LLWS): a altijd onder NAP b altijd boven NAP c gemiddeld op hetzelfde niveau als NAP 16. Het is springtij. Bij hoogwater zal er op een bepaalde plaats: (1) a minder water staan dan bij doodtij b evenveel water staan als bij doodtij c meer water staan dan bij doodtij
17. In kaart 1805, officiële zeekaart voor de Oosterschelde, staan de volgende (2) getijgegevens vermeld: Hoogten boven reductievlak gem. HW gem. LW springtij doodtij springtij doodtij 3,7 m 3,0 m 0,3 m 0,6 m U wilt in de haven van Burghsluis aanleggen. In de kaart ziet u bij de haven het dieptecijfer 26 (dm). Het is 2 dagen na maanstand EK. Uw schip steekt 1,5 m diep. Hoeveel water zal er nog onder de kiel van uw schip staan bij LW? a 0,5 m b 1,7 m c 1,4 m
STUURTAFEL Te gebruiken bij vraagstukken waarin de deviatie niet gegeven is en waarbij er geen sprake is van een handpeilkompas.
| KOMPASKOERS | DEVIATIE
| KOMPASKOERS
| DEVIATIE
| | 000 | -1 | 180 | +2 | | 22,5 | -2 | 202,5 | +3 | | 45 | -3 | 225 | +4 | | 67,5 | -3 | 247,5 | +3 | | 90 | -2 | 270 | +2 | | 112,5 | 0 | 292,5 | +1 | | 135 | 0 | 315 | +1 | | 157,5 | +1 | 337,5 | 0 |
18. De hoek tussen het magnetische noorden en het kompasnoorden (2) wordt genoemd: a deviatie b miswijzing c variatie
19. Ware koers is 184°. Deviatie +2°, variatie 5° west. (2) Wat is dan de kompaskoers? a 181° b 187° c 177°
20. U vaart de haven van Hoorn uit en stuurt een kompaskoers van 155°. (2) De variatie is 4° west. Wat is de ware koers? a 160° b 152° c 158°
21. Om de deviatie van uw kompas te bepalen, maakt u gebruik van een lichtenlijn. (3) Varende in de lichtlijn geeft het stuurkompas een koers aan van 214°. In de kaart staat bij de lichtenlijn 216°. De variatie ter plaatse is 4° west. Wat is de deviatie bij de voorliggende kompaskoers? a +6° b +2° c -2°
22. Varende op de Waddenzee stuurt u een kompaskoers van 271 °. (3) De stroomrichting is noordoost, stroomsterkte 2 mijl/uur. U veronderstelt dat u door de stroom 10° wordt weggezet. De windrichting is eveneens noordoost, windkracht 4 Beaufort. U veronderstelt de drift op 12°. De variatie is 4° west. Wat is uw grondkoers? a 291° b 247° c 267°
HET GLOBAL POSITIONING SYSTEM
23. In het Global Positioning System (GPS) is een 'waypoint': (2) a een in de kaart uitgezette te volgen route b de door de GPS berekende verbeterde gispositie c een geografische positie opgeslagen in het geheugen van de ontvanger
Voor het oplossen van de vraagstukken 24 en 25 moet u gebruik maken van het kaartfragment A van kaart 1810 Markermeer of van kaartfragment B van de kaarten 1811.2 en 1811.3 Texelstroom en van de variatie in de betreffende kaart. Daarnaast dient u gebruik te maken van de eerder gegeven stuurtafel. De in de vraagstukken gegeven posities zijn “ongeveer” en dienen slechts ter oriëntatie op het kaartfragment. Het kaartfragment dient met het examenwerk ingeleverd te worden en de constructie wordt ook gecontroleerd. ZONDER CONSTRUCTIE KUNNEN DE ANTWOORDEN VAN DEZE VRAGEN NIET WORDEN GOEDGEKEURD. Het kaartfragment dient u te voorzien van uw NAAM en EXAMENNUMMER. Uw antwoorden dient u af te ronden op HELE GRADEN en in TIENDEN van MINUTEN dan wel TIENDEN van MIJLEN nauwkeurig.
24. U vertrekt uit de haven van Oudeschild richting Den Helder. Om 14.15 uur passeert u de boei Tl 2 en stuurt een kompaskoers van 206°. Volgens uw log is uw snelheid 4 knopen. Om 15.00 uur peilt u met het stuurkompas de lichtopstand KM/RA2 (ca. 52°-59' N / 004°-46' E) in de peiling 267° en de kerk van Den Burg in peiling 356°. A. Wat is uw verbeterde gispositie om 15.00 uur? (3) B. Wat is de ondervonden richting en snelheid in knopen van de stroom (2) gedurende de afgelopen 45 minuten?
25. Na vertrek uit Volendam passeert u om 10.00 uur de boei MN1/GZ2 (ca. 52°30'N / 005°06' E). U zet koers naar de boei KG33 (ca. 52°39'N / 005°15'E). De westenwind veroorzaakt een drift van 15°. Uw vaart door het water is 3,5 mijl per uur. A. Welke kompaskoers moet u sturen naar boei KG33? (2) B. Hoe laat zult u bij de KG33 arriveren? (2)
ANTWOORDEN EXAMEN VB A
1 B 11 B 21 A 2 A 12 A 22 C 3 A 13 C 23 C 4 A 14 A 24 A 52° 59,7’ N (+/- 1’) 004° 48,2’ E (+/- 2’) 5 A 15 A 24 B 280° (+ of – 2°) 0,8 kn (+/- 0,1) 6 C 16 C 25 A 018° (+ of – 1°) 7 B 17 B 25 B 13.00 uur (12.58 – 13.04 uur) 8 C 18 A 9 A 19 B 10 B 20 B
|
|
|
| Vaarbewijs in 1 week |
| Privéles: snel en effectief! Bel voor afspraak. |
| Een cursist over haar cursus ... |
| Mevr. Leijen: de examentraining en de
handige studiewijzer hebben mij enorm geholpen. |
| Avondcursussen Vaarbewijs 1 en 2 |
| Alkmaar en Haarlem |
|